Your logger does not contain yet any favourite. You can add favourites by clicking the Link "collect" on a product page. Your favourites are then permanently stored.

Links

bestanden

gemarkeerd: ---------- wissen downloaden


7. Bedrijfsapparatuur/elektrotechniek

7.1 Typen van voorschakeling

Conventionele lampen zoals T8-fluorescentielampen kunnen met magnetische of elektronische voorschakelapparaten werken. Moderne verlichtingsproducten zoals LED's werken uitsluitend met elektronische voorschakelapparatuur. De verschillen tussen magnetische en elektronische voorschakelapparaten spitsen zich voornamelijk toe op het gebied van energie-efficiëntie en verlichtingscomfort.


Technische informatie download:


7.1.1 Magnetische voorschakelapparaten en starters

Vanuit energie-perspectief is het op de markt brengen van verlichtingsproducten en voorschakelapparaten geregeld in de Energy using Products (EuP)-richtlijn 2005/32/EG, die werd vervangen door de ecodesign-richtlijn 2009/125/EG. In Duitsland is de nationale wetgeving van de Wet op energieverbruikende producten (EBPG) gewijzigd in de "Wet op het ecologisch ontwerp van energieverbruikende producten".
Sinds april 2017 moeten verliesarme magnetische voorschakelapparaten voor fluorescentielampen die nieuw op de markt worden gebracht, minimaal aan efficiëntieklasse A2 of beter voldoen.
Alle met magnetische voorschakelapparaten uitgevoerde armaturen zijn uitgerust met beproefde glimlichtstarters. Veiligheidsstarters die flikkerende, uitgewerkte fluorescentielampen binnen een paar minuten uitschakelen, kunnen achteraf naar wens worden toegepast.

7.1.2 Elektronische voorschakelapparaten

De meeste armaturen kunnen worden uitgerust met elektronische voorschakelapparaten (EVSA). Fluorescentielampen verbruiken met EVSA ca. 15% minder stroom dan vergelijkbare lampen met conventionele voorschakelapparaten (zie tabel 7.1.). Bij lange bedrijfstijden wordt gebruik van EVSA rendabel. De extra kosten voor EVSA kunnen in slechts enkele jaren worden terugverdiend. Andere voordelen: flikkervrije, directe ontsteking zonder glimlichtstarters, blindstroomcompensatie vervalt en de levensduur van de fluorescentielampen wordt verhoogd. Elektronische voorschakelapparaten zijn ontworpen voor een gemiddelde levensduur van 50.000 uur onder normale omstandigheden met een faalkans van minder dan 10%. Tussen uitval en thermische belasting van de EVSA bestaat een exponentieel verband. Overschrijding van de toegestane temperaturen verkort de levensduur van EVSA aanzienlijk. Let op de omgevingstemperatuur van de armaturen.

7.1.3 Dimbare elektronische voorschakelapparaten

Regelbare of daglichtafhankelijke schakelingen met dimbare elektronische voorschakelapparatuur verhogen het comfort van een verlichtingssysteem en verbeteren tegelijk de efficëntie. Op de productpagina‘s voor de desbetreffende armatuurgroepen vindt u uitvoeringen met dimbare EVSA‘s, met analoge of digitale regeling.



7.2 Compensatie

Inductieve lampen met magnetische voorschakelapparaten moeten zijn voorzien van condensatoren voor de blindstroomcompensatie. In de tabel zijn de benodigde condensatoren toegewezen aan de lampvermogens. De capacitieve waarden gelden voor een nominale spanning van 230 V ~ met een frequentie van 50 Hz. Voor parallelle compensatie wordt de condensator parallel aan het net geschakeld.



Door de inwerkingtreding van de richtlijn 2000/55/EG voor voorschakelapparatuur per 21.05.2002 is het toezicht op het in omloop brengen van gecompenseerde armaturen verscherpt. Het vermogensverlies bij seriecompensatie met conventionele voorschakelapparaten en condensatoren voldoet niet aan de vereiste energie-efficiëntie. Indien nodig, zijn natuurlijk zowel parallelcondensatoren als parallel gecompenseerde armaturen beschikbaar via Regiolux.

 

 




Het aansluiten van de parallelcondensator mag uitsluitend volgens dit schema plaatsvinden! Niet-naleving van deze beschrijving kan schade aan de lichtinstallatie veroorzaken!

 

 

7.3 Lampontsteking

Bij magnetische voorschakeling vindt de ontsteking van fluorescentielampen plaats door middel van een combinatie van voorschakelapparaat en starter. Deze start is niet vrij van flikkeringen, er zijn meerdere ontstekingspogingen nodig. Bij een elektronisch voorschakelapparaat (EVSA) wordt de lamp daarentegen zonder flikkeren gestart.




Men onderscheidt daarbij EVSA's voor koude start en warme start. De laatste beschikken over een voorverwarming van de lampelektroden, waardoor een zuivere ontsteking plaats kan vinden. Voorschakelapparaten met koude start zonder voorverwarming kunnen worden gebruikt als er minder frequent geschakeld hoeft te worden. In Regiolux-armaturen met EVSA worden voorschakelapparaten met warme start gebruikt.

7.4 Max. aantal armaturen per stroomkring

Bij de afzekering van armaturen moet naast de aanloopstroom ook de totale nominale stroom van alle voorzetapparaten van de groep en de lengte, doorsnede en aanlegwijze van de kabels in acht worden genomen. Bij de in de tabel vermelde aantallen voorzetapparaten wordt uitgegaan van gelijktijdige inschakeling. De waarden van de tabel gelden voor 1-polige installatie-automaten. Bij gebruik van meerpolige installatie-automaten moet het aantal voorzetapparaten worden verlaagd met 20%.
Het maximum aantal LED-armaturen verschilt per fabrikant en type van de elektronische driver.

7.5 Noodverlichting

Vereisten voor de noodstroomvoorzieningen voor noodverlichting


7.5.1 Noodverlichtingseenheid E 14 voor horizontale montage

De eenheid wordt op T8-fluorescentielampen met een diameter van 26 mm bevestigd. Er mogen E14-lampen met een max. buitendiameter van 25 mm en een vermogen van 25 watt worden gebruikt. Bij armaturen met compacte fluorescentielampen is geen inzetelement mogelijk. De noodverlichtingseenheid bestaat uit de E 14-uitvoering met lampbeugels en een aansluitkabel met stekkerbussen voor aansluiting op de compacte steekconnector. Bij roosteropbouw- en kaparmaturen wordt de steekconnector binnen, en bij inbouwaramturen buiten de behuizing aangebracht.

7.5.2 Noodverlichting met aparte accu

Voor diverse toepassingen is een noodverlichting vereist die in de normale verlichting is geïntegreerd. Het noodverlichtingselement en de accu worden samen met de normale ontstekingsapparatuur ingebouwd in de armatuur. De lamp wordt bij stroomuitval gevoed door de accu en kan vervolgens op gereduceerd vermogen blijven branden. Voor het opladen van de accu en voor het inschakelen van de noodverlichting moet, naast de schakeldraad, een continue fasedraad op de armatuur worden aangesloten. De ballast lumen factor (BLF) geeft het lichtstroomaandeel van de lamp bij accubedrijf aan in verhouding tot de lichtstroom bij 230 V nominale spanning. Bij armaturen met meerdere lampen wordt bij noodverlichting slechts één lamp gebruikt. De BLF-waarden voor de betreffende armatuur zijn op aanvraag beschikbaar.


7.5.3 Omschakelconverters voor EVSA's voor het omschakelen van netspanning naar noodbedrijf

Elektronische voorschakelapparaten kunnen zowel op wissel- als gelijkspanning werken en zijn daarom zeer geschikt voor net- en noodverlichting. Door een in de armatuur ingebouwde omschakelconverter kan omschakeling van netspanning naar noodbedrijf in de armatuur plaatsvinden.