4. KWALITEITSKENMERKEN VOOR GOEDE VERLICHTING

Het doel van binnenverlichting is om mensen een omgeving te bieden die hun fysieke en mentale welzijn bevordert en ongevallen voorkomt. Daarnaast moet binnenverlichting de stemming van de mensen zodanig beïnvloeden dat zij beter presteren, minder snel moe worden en minder fouten maken. Om optimaal aan deze voorwaarden te voldoen, moet bij de planning op een aantal kwaliteitskenmerken worden gelet:

4.1 VERLICHTINGSNIVEAU

Het verlichtingsniveau wordt in principe bepaald door de lichtsterkte. Dit is op zijn beurt weer afhankelijk van de visuele taak, die bestaat uit het herkennen van bepaalde contrasten en details, evenals de snelheid waarmee ze moeten worden waargenomen. De vereiste verlichtingssterkte voor verschillende ruimtes en activiteiten wordt in het normblad EN 12464 behandeld. De opgegeven verlichtingssterktes zijn gemiddelde waarden in het werkgebied van de ruimte op het betreffende referentievlak. De gemiddelde verlichtingssterkte mag, ongeacht de ouderdom en conditie van de verlichting, niet onder de opgegeven waarden vallen. De verlichtingssterkte van elk verlichtingssysteem neemt geleidelijk af door veroudering van de lampen en door stofvorming. Ook worden de reflecterende vlakken in de ruimte geleidelijk aan donkerder of raken verstofd. Bij de planning van het verlichtingssysteem moet daarom een reductiefactor worden gehanteerd, die wordt berekend aan de hand van de geplande verlichtingsinstallatie, de ruimtelijke omgeving en het vast te leggen onderhoudsschema.

4.2 LUMINANTIEVERDELING

De verlichtingssterkte in een ruimte geeft nog geen informatie over een harmonieuze, uitgebalanceerde verdeling van de lichtsterkte die van de verschillende oppervlakken uitgaat. Een harmonieuze verdeling van de helderheid en het daarvoor vereiste verlichtingsniveau is een voorwaarde voor het welbevinden van de mensen. De beste zichtvoorwaarden ontstaan als de contrasten in luminantie tussen de zichtobjecten en de grotere omgevingsvlakken binnen bepaalde grenzen worden gehouden. De aanbevolen luminantieverhouding tussen visuele taak en de nabije of verre omgeving mag niet groter zijn dan 3:1 en niet kleiner dan 1:3. De luminantie van ruimtebegrenzende oppervlakken en zichtobjecten kunnen wij bepalen met behulp van speciale programma's.

Aanbevolen luminantieverhoudingen tussen visuele taak en de nabije of verre omgeving.

4.3 VERBLINDINGSREDUCTIE

Directe verblinding wordt veroorzaakt door te hoge lichtsterkte in het gezichtsveld. Het reduceert de gezichtsscherpte (fysieke verblinding) en kan het welzijn van de mensen nadelig beïnvloeden (psychische verblinding). Berekeningsmethoden voor de mate van verblinding van armaturen voor binnenverlichting beoordelen de beperking van de lichtsterkte binnen de kritische stralingshoek. Als evaluatiesysteem hiervoor werd in Europa de norm EN 12464, de UGR (Unified Glare Rating) ingevoerd. De details van de UGR-methode worden beschreven in de CIE-uitgave 117 De UGR-waarde van een verlichtingsinstallatie, vastgesteld volgens de proceduretabel voor de positie van de standaard waarnemer, mag de in de norm aangegeven waarde niet overschrijden.

Reflexblendung wird verursacht durch störende Reflexe auf blanken Oberflächen.
 

Reflectieverblinding wordt veroorzaakt door hinderlijke reflecties op glanzende oppervlakken.
Zoals de afbeelding laat zien, mag het licht nooit op het werkoppervlak van het gemarkeerde gebied vallen. Volgens de natuurkundige wet 'hoek van inval = hoek van uitval' zouden de reflecties precies in het gezichtsveld van de daar werkende mensen liggen. Matte werkbladen leveren een belangrijke bijdrage aan de oplossing voor verblinding door reflecties. Verblinding door reflecties resulteert in soortgelijke verstoringen zoals directe verblinding en heeft vooral invloed op de contrastwerkingen die nodig zijn voor goede visuele omstandigheden.

Opstelling van armaturen dwars op de kijkrichting.
Opstelling parallel aan de kijkrichting.

De verlichting van beeldschermwerkplekken vereist een bijzonder zorgvuldig ontwerp, omdat sterke reflecties op het beeldscherm het werken vaak onmogelijk maken. De reflecterende eigenschappen, de polariteit en de kromming van het beeldscherm zijn, in combinatie met de verlichte vlakken in de ruimte, de bepalende factoren voor de opname van visuele informatie op de werkplek. Door ontspiegeling van het beeldscherm kunnen storende reflecties al flink worden gereduceerd. De geschiktheid van armaturen voor beeldschermwerkplekken wordt geregeld in de norm EN 12464-1. Afhankelijk van de kwaliteit en de polariteit van het beeldscherm, mag de luminantie van armaturen en lichtgevende oppervlakken die op het scherm reflecteren, de aangegeven grenswaarde voor gemiddelde luminantie niet overschrijden. Deze grenswaarden gelden bij armaturen boven een stralingshoek van 65° rondom.

"High state"-luminantie van het beeldscherm Beeldscherm met hoge luminantie
L ≥ 200 cd/m²
Beeldscherm met gemiddelde luminantie
L ≤ 200 cd/m²
Geval A
Positieve polariteit en gebruikelijke eisen voor kleur en details van de weergegeven informatie, zoals op kantoor, in het klaslokaal, etc. bestaan.

 

≤ 3000 cd/m²

 

≤ 1500 cd/m²

Geval B
Geval B Negatieve polariteit en/of hogere eisen voor kleur en details van de weergegeven informatie, zoals bij CAD, kleurentests etc. bestaan.

 

≤ 1500 cd/m²

 

≤ 1000 cd/m²

Opmerking: "High state"-luminantie van het beeldscherm (zie EN ISO 9241-302) beschrijft de maximale luminantie van het witte deel van het beeldscherm. Deze waarde wordt door de fabrikant van het beeldscherm aangegeven.

 

4.4 LICHTRICHTING EN SCHADUWWERKING

In principe moet de richting van het licht aangepast zijn aan het daglicht. Een belangrijke voorwaarde voor het vermijden van directe verblinding is de juiste positionering van de armaturen. De verblinding door hoekafhankelijke reflecties kan door een gunstige plaatsing tot een minimum worden teruggebracht. (Zoals de afbeelding laat zien, voorkomt zijdelingse lichtinval spiegeling op glanzende bureauoppervlakken. Bij de plaatsing van de armaturen is zijdelings licht, parallel aan de kijkrichting, dus de optimale oplossing).

Voor een goede herkenbaarheid van verlichte objecten en oppervlaktestructuren moet door middel van verlichting een goede schaduwwerking worden bereikt. Een sterke schaduwwerking zorgt in de meeste gevallen voor een goede beaccentuering van verkoopobjecten of gevarenzones. Voor de algemene verlichting van interieurs zijn echter evenwichtige schaduwen gewenst, met zachte randen. Gericht licht en sterke schaduwvorming. Bij algemene verlichting kan de schaduwwerking worden bepaald via de verhouding tussen cilindrische verlichtingssterkte EZ en horizontale verlichtingssterkte E. Een te harde schaduwwerking wordt voorkomen als op een hoogte van 1,2 m boven de vloer de verhouding van E:E Zh minimaal 0,3 bedraagt. EZ is de rekenkundige gemiddelde waarde van de vier verticale verlichtingssterktes in het referentievlak van 1,2 m (zie DIN 5031, deel 3). De afbeeldingen tonen de schaduwwerking bij puntvormige verlichting en bij armaturen in lichtlijnconfiguratie.

Algemene verlichting en uitgebalanceerde schaduwwerking.

4.5 LICHTKLEUR EN KLEURWEERGAVE

Ze dragen bij aan de perceptie van het oog om de wereld om ons heen te herkennen. Alleen bij een juist 'kleurklimaat' voelt de mens zich goed. Dit wordt bepaald door de lichtbron en de kleurweergave-eigenschappen hiervan, evenals door het kleurenontwerp van de ruimte. Lichtkleur, kleurweergave en kleurenontwerp van een ruimte moeten daarom op elkaar worden afgestemd.

4.6 BIOLOGISCH WERKZAAM LICHT

Licht heeft naast de visuele functie ook een biologisch werkzame component. Als er niet voldoende daglicht beschikbaar is, omdat mensen te veel tijd in gesloten ruimtes doorbrengen, kan kunstmatig licht bepaalde daglichtfuncties overnemen en bijna "de juiste verlichting op het juiste tijdstip" leveren. Daarbij heeft het kunstmatige licht, gebaseerd op het natuurlijke licht, een dynamisch verloop dat lijkt op het verloop van de dag. Van groot belang zijn daarbij de veranderingen in het verlichtingsniveau en in de lichtkleur. Deze worden gerealiseerd door middel van armaturen met tunable white-technologie en een bijbehorende lichtregeling. Een daarop gebaseerd verlichtingsconcept gaat verder dan de standaard kwaliteitskenmerken van een verlichting en stelt de mens centraal: Human Centric Lighting (HCL) is in staat om het circadiane ritme van mensen te ondersteunen, bevordert het welzijn van de persoon en ondersteunt een stabiele gezondheid.

4.7 ENERGIE-EFFICIËNTIE

Naast de bovengenoemde klassieke kwaliteitskenmerken wordt de energie-efficiëntie van verlichtingssystemen steeds belangrijker. Van de totale kosten van een verlichtingsinstallatie over de gehele levensduur nemen de elektriciteitkosten ongeveer 50% in beslag. Voor aanschaf en montage resp. onderhoud moet 25% worden gerekend. Energiebesparende systemen verminderen de kosten aanzienlijk, ontlasten het milieu en voldoen aan nieuwe wettelijke kaders (zie 5.)

Regiolux innovaties - mis niets!